Gebruik van Feed’more’ voorkomt verliezen

De kwaliteit van het geconserveerde voer in graskuilen is direct gerelateerd aan het niveau van
de melkproductie van de koeien en daarmee de inkomsten van een bedrijf. Wageningen UR Livestock Research concludeert dat voor een gemiddeld bedrijf met 100 melkkoeien het arbeidsinkomen kan dalen met € 3000 tot € 4000 door onder andere conserverings- en vervoederingsverliezen (Wageningen UR Livestock
Research, 2010). Dit geeft het belang aan van het conserveren en vervoederen van het voer met zo weinig mogelijk verlies. In dit artikel wordt uitgelegd waarom Nederlandse boeren extra risico lopen op inkuil- en vervoederverliezen. Daarnaast wordt een oplossing aangedragen om kuilvoer beter en sneller te kunnen conserveren, zo lang mogelijk te kunnen bewaren met behoud van de voedingswaarden en zonder inkuil- en vervoederingsverliezen.

Broeigevaar voor Nederlandse boer

Bij de conservering en vervoedering van kuilvoer ligt zogenaamd broeiverlies op de loer. Er is sprake van broei als het verschil in temperatuur tussen onderste en de bovenste laag kuil groter is dan acht graden. Dat ontstaat veelal als er zuurstof in de kuil komt en daardoor groepen bacteriën, schimmels en gisten weer actief worden. Koolhydraten (suikers) en organische zuren worden gebruikt voor de groei van deze organismen. Daarbij ontstaat een temperatuurstijging in de kuil en een verlies van droge stof en voederwaarde. De Wageningen Universiteit stelt dat in broeiend kuilvoer de verliezen aan droge stofwaarden oplopen tot 3,5% per dag afhankelijk van de temperatuurstijging. Daarnaast is er een verschil van 45 VEM tussen kuilvoer met en zonder broei. Eveneens is een daling van het eiwit gehalte aangetoond van RE 14 g/kg ds en DVE 5 g/kg ds (Oostveen en van Straalen, 2007).

Volgens het grond en gewas laboratorium BLGG AgroXpertus hebben broeigevoelige kuilen naast een lage hoeveelheid azijnzuur en hoge zuurgraad (pH) een relatief hoog droge stofgehalte (van Drie, 2004). Droge kuilen hebben meer kans dat er zuurstof in blijft omdat ze moeilijker zijn aan te rijden vanwege ‘terugveren’. Bovendien is bij een droge kuil de wateractiviteit lager. Daardoor werken de bacteriën die melkzuur en azijnzuur produceren minder hard en daalt de pH waarde minder snel. Zowel de Livestock Research afdeling van de Wageningen Universiteit als BLGG AgroXpertus constateren dat de laatste jaren relatief vaker broeiverliezen zijn opgetreden onder Nederlandse boeren dan werd verwacht. Het te droog inkuilen is een belangrijke oorzaak voor de broeiverliezen volgens beide instellingen. Zo werd in 2009 in bijna de helft van de gemeten kuilen een droge stofgehalte van meer dan 50% waargenomen (figuur 1). Deze kuilen kunnen ‘broeigevoelig’ zijn en hebben daarom een aanzienlijk extra risico op verliezen. Een extra risico vormt droog weer, aangezien een verband is aangetoond tussen de droge omstandigheden bij het inkuilen en een verhoogd droge stof gehalte (Wageningen UR Livestock Research, 2010).

Daarnaast is geconstateerd dat kuilen de laatste jaren een hoog suikergehalte hebben. Als daarbij het droge stofgehalte aan de hoge kant is (>40%) dan is er een verhoogde kans op broei (Wageningen UR Livestock Research, 2010). Door het verlies van voederwaarde dient extra ruw- en krachtvoer te worden toegediend om deze verliezen en de slechtere opname van kuilgras te compenseren.

grafiek

Figuur 1. Frequentie verdeling van de droge stofgehalten van graskuilen in 2009 (Bron: BLGG AgroXpertus)

 

Oplossing met inkuilmiddel ‘Feedmore’

Ruwvoerspecialist Piet Riemersma geeft in Veeteelt aan dat steeds meer boeren inkuilmiddelen gebruiken om de conservering van het ruwvoer te verbeteren (van Drie, 2011). Er zijn echter veel inkuilmiddelen op de markt en een bewuste keuze dient te worden gemaakt. Zo moet een goed inkuilmiddel melkzuurvormende bacteriën bevatten die de pH na het inkuilen snel verlaagt, zodat de kuil snel stabiel is, zelfs bij een kuil met een hoog droge stof gehalte. Maar bij een pH van 4,5 moeten de melkzuurvormende bacteriën stoppen om een te lage pH te voorkomen. Daarnaast moet een goed inkuilmiddel ook azijnzuurvormende bacteriën bevatten. Melkzuur heeft de eigenschap dat het gaat gisten en dus een voedingsbron is voor broei. Een inkuilmiddel met enkel melkzuurvormende bacteriën bevordert daarom broei. Om die reden is toevoeging van de bacterie Lactobacillus brevis onmisbaar ter bestrijding van gisten en schimmels (van Drie, 2011).

 Agriprom heeft Feed’more’ geïntroduceerd dat een combinatie van twee melkzuur bacteriestammen bevat die er samen voor zorgen dat een breed scala van suikers in melkzuur wordt omgezet om de pH te verlagen. Wanneer de pH onder de 5 komt, stopt de groei van deze bacteriën en worden geen natuurlijke eiwitten meer afgebroken. Dit resulteert in een stabiele kuil zonder verlies van voederwaarde. Daarnaast bevat Feed’more’ de bacterie Lactobacilus brevis die azijnzuur produceert als er bij opening van de kuil zuurstof toetreedt. Azijnzuur zorgt ervoor dat bij het openen van de kuil schimmel en gistvorming wordt geremd.

Bovendien bevat Feed ’more’ enzymen die een aanzienlijke verhoging van de verteerbaarheid realiseren en daarmee de productie verhogen. Dit wordt bereikt doordat deze enzymen de koolhydraten scheiden van de lignine in de vezels. Hierdoor wordt de prestatie van de bacteriën verhoogd. Aantoonbare verhoging van de productie bij gebruik van Feed’more’ is hiervan het gevolg. Onderzoek in Groot Brittannië heeft aangetoond dat gebruik van Feed’more’ de voedingswaarde van de kuil verbetert ten opzichte van kuilen die niet zijn behandeld met Feed’more’. In het onderzoek zijn vier herhalingen gedaan en zijn 1800 koeien getest. Hieruit bleek dat de melkproductie per koe met gemiddeld 3 liter per dag toenam wanneer de kuilen waren behandeld met Feed’more’. Zodra de behandelde kuil werd vervangen door een onbehandelde kuil afkomstig van de dezelfde bron, produceerden ze onmiddellijk 1-2 liter minder.

 

Feed’more’ ( jar) bevat de volgende enzymen
Xylanase  
Mannanase  
ß-glucanase  
Cellulase  

Table 1. Enzymen in Feed’more’

 

Conclusie

Het is belangrijk om niet droog in te kuilen want droge kuilen zijn erg broeigevoelig en niet stabiel na opening. Nederlandse kuilen zijn de laatste jaren erg droog. Om broei te voorkomen en een stabiele kuil te genereren is het onder boeren gangbaar een inkuilmiddel te gebruiken. Experts bevestigen dat een goed inkuilmiddel een hoge concentratie aan melkzuurbacteriën bevat, evenals enzymen zodat een snelle pH daling is gegarandeerd en geen voederwaarde verliezen optreden. Daarnaast moet een goed inkuilmiddel Lactobacillus brevis bevatten voor stabiliteit na opening van de kuil. Feed’more’ bevat deze ingrediënten en is daarom door Agriprom geselecteerd als oplossing voor droge kuilen en inperking van het broeigevaar. Feed’more’ is uitgebreid getest en het is aangetoond dat gebruik van Feed’more’ zorgt voor een productiestijging.

Alle voordelen van Feed’more’ op een rij

  1. Snelle pH daling, betere convertering
  2. Verlengt de houdbaarheid na opening
  3. Behoudt meer ingekuilde droge stof en voedingswaarde
  4. Verhoogt de ruwe celstofvertering
  5. Verbetert de smakelijkheid
  6. Verlaagt significant de verliezen door broei en eiwitdegradatie
  7. Vermindert nutriëntenverlies
  8. Het fermentatieproces wordt verbeterd
  9. Verbetert dagelijkse groei van vleesvee en melkproductie van melkvee
  10. Haalt meer melk uit uw voer
  11. Bevat geen zuren die uw machines aan kunnen tasten

Referenties

Drie, van I, 2004. Broei kost voederwaarde. Veeteelt mei 1, 2004: 10-13.

Drie, van I, 2011. Er Broeit iets in de kuil. Veeteelt april 2, 2011: 38-41. 

Oostveen, A.J., en W.M. van Straalen, 2007. De gevolgen van broei voor de voederwaarde van grassen maïssilages. Proefverslag nr. 865. Schorhorts Feed Research, Lelystad.

• Schoten, van H. & Philipsen, B. (2010), Effect van inkuilmanagement op emissie van broeikasgassen op bedrijfsniveau. Wageningen UR Livestock Research